God zoekt de mens
een filosofie van het jodendom
Gevormd door zijn chassidische opvoeding stapt Abraham Heschel de Duitse academische wereld in. Het contrast is groot tussen het joodse leven van zijn jeugd en de culturele en intellectuele wereld waarin Bijbel en jodendom amper een rol spelen. Juist in die seculiere wereld houdt hij vast aan zijn bezieling en gaat hij zijn eigen weg. Hij wil aantonen dat God de primaire realiteit is waaruit al het andere voortkomt en geen postulaat is van de praktische rede. God is geen symbool maar de Levende, en godskennis is zeker wel mogelijk. Want God spreekt en openbaart zich, en die openbaring bemiddelt een manier van denken waarin gerechtigheid centraal staat. Dat is wat Heschel in de academische wereld naar voren wil brengen en daarvoor is het gangbare neo-kantiaanse denken niet geschikt. Heschel vindt een geschikte methode in de fenomenologie van Husserl. Deze op het bewustzijn gerichte denkmethode is namelijk – in tegenstelling tot het kantiaanse denken – in staat om voorbij de eigen categorieën bij de werkelijkheid te komen. Het bewustzijn wordt gezien als intentioneel. Het is altijd gericht op iets, het is altijd bewustzijn van iets. Dat iets, dat fenomeen staat centraal. Het gaat er niet om dat als het ware te grijpen en onder te brengen in aan het fenomeen vreemde categorieën. Het gaat om dat fenomeen zelf, in zijn eigenheid. Het denken neemt de objecten niet in bezit om daar vervolgens allerlei denkexercities op uit te voeren. Dat levert geen kennis op van de zaak zelf. Kennis komt alleen tot stand door bewustzijn van de zaak zelf. Hier wordt het woord verstehen voor gebruikt. Het gaat hier om twee aspecten: ten eerste de intentionaliteit van het bewustzijn en ten tweede het denken of kennen als onmiddellijk bewustzijn, als ‘verstehen’, verstaan, concreet aan tijd en de relatie tussen God en mens verbonden. Op fenomenologische wijze onderzoekt Heschel het profetische bewustzijn. Wat ervoeren de profeten? Wat gebeurt er met de profeten? De aanspraak is in elk geval dat hun inspiratie van God komt. Zij hebben dus een bewustzijn van God en, omdat het bewustzijn intentioneel is, is daar werkelijk contact met God. Wanneer we ons richten op het bewustzijn van de profeet op dat moment, krijgen we zicht op God. Zo is de fenomenologie bruikbaar door de intentionaliteit: deze waarborgt de realiteit van het openbaringsgebeuren. Voor Heschel gaat openbaring over de relatie tussen God en de wereld en niet over het wezen van God zelf. Er wordt geen abstracte kennis of eeuwige waarheid overgebracht. We leren van de profeet alleen Gods wil en zijn houding tegenover de wereld zoals die zich dan manifesteert. Deze opvatting van kennis als concreet en relationeel maakt de fenomenologische methode bruikbaar en aantrekkelijk voor Heschel. Ze past bij de levende en concrete theologische inhoud. Bij Heschel gaat het dus niet om God zelf want zijn wezen is onkenbaar. Vragen naar Gods wezen is een Griekse manier van denken. Daar kan die vraag alleen door abstracte speculatie worden beantwoord. Dan is echter God niet meer de Levende, maar is hij als object ondergebracht in ons denksysteem, ondergeschikt aan onze metafysische aannames. Deze manier van denken over God vormt Heschels front. Want God is geen object van abstract en speculatief denken. God is altijd Subject. Heschel vraagt ook niet hoe God is, maar wat hij doet. De filosofische coherentie en consistentie van Heschels werk ligt in de fenomenologie dat de achtergrond van al zijn (diepte-) theologische en filosofische werk vormt. BRONNEN: Coen Constandse: De terugkeer tot de hartstocht voor God in De terugkeer van de mens, Sliedrecht 2004; Lawrence Perlman: Heschel’s Idea of Revelation, Atlanta 1989.
Lees verder| ISBN/EAN | 9789080730052 |
| Auteur | A.J. Heschel |
| Uitgever | Vrije Uitgevers, De |
| Taal | Nederlands |
| Uitvoering | Paperback / gebrocheerd |
| Pagina's | 479 |
| Lengte | 225.0 mm |
| Breedte | 145.0 mm |
